Onze hersenen zijn globaal gezien verdeeld in twee helften. De linker- en de rechter hersenhelft.
De mensen met een linksgeoriënteerde leerstijl denken primair auditief/digitaal.
Personen met een rechtsgeoriënteerde leerstijl denken primair visueel/kinesthetisch en secondair auditief/digitaal. We gebruiken dus alle vier de systemen, maar het systeem wat het sterkst ontwikkelt is, wordt als eerste aangesproken en is per persoon verschillend.

 

Ons onderwijs in ingesteld op de linksgeoriënteerde denkers, hierdoor komen de rechtsgeoriënteerde denkers in de problemen. Problemen die zich hierdoor voor kunnen doen zijn; dyslexie, ADD en ADHD.

Ken je leerstijl!

Als je weet wat de leerstijl van iemand is, dan kun je die persoon de informatie geven, die afgestemd is op zijn denksysteem. Hierdoor worden veel misverstanden voorkomen en wordt de communicatie verbeterd. Eigenlijk zou iedereen met een petje op moeten lopen met daarop zijn voorkeursdenksysteem. Het resultaat zou zijn, dat we visueel ingestelde mensen beeldend benaderen. De auditief ingestelde mensen benaderen we met woorden, de “voelers” geven we de tijd om de informatie te verwerken en daarop te reageren. En de auditief digitalen, tenslotte, hebben meer baat bij een rationele benadering.

De leerstijlen van Kolb

De Learning Style Inventory (LSI), die ontwikkeld is door David Kolb, is een van de eerste en meest gebruikte modellen voor leerstijlen in het onderwijs en management.
De leerstijlen die Kolb onderscheidt de verschillende typen die iemand kan zijn.

​1. De bezinner kijkt hoe anderen een probleem aanpakken en denkt eerst na voordat hij iets doet. Hij ziet veel oplossingen, omdat hij een probleem vanuit veel standpunten kan bekijken. Daardoor neemt hij beslissingen soms traag.

​2. De denker is goed in logisch denken en redeneren. Hij probeert algemene regels te ontdekken en leert het liefst uit boeken. Het is belangrijker dat ideeën logisch zijn, dan dat ze praktisch uitvoerbaar zijn.

3. De beslisser plant een taak en voert die uit. Hij is niet zo geïnteresseerd in theorieën. Hij doet het goed in conventionele intelligentietesten. Houdt zich liever bezig met technische problemen dan met mensen.

4. De doener houdt van experimenteren en lost problemen op door iets uit te proberen. Hij past zich goed aan aan nieuwe situaties. Soms kan een doener drammerig overkomen in zijn dadendrang.