Beweging als basis voor groei

Het fundament voor succesvol functioneren en leren, is een goed ontwikkeld Centraal Zenuwstelsel. Vanuit het CZ wordt ons lichaam via miljoenen zenuwcellen aangestuurd om de verschillende bewegingen te maken en te reageren op onze omgeving en op gebeurtenissen. Deze zenuwcellen vormen zenuwbanen; de zogenaamde bedrading van ons lichaam. Deze bedrading verandert in de loop van ons leven, vooral in periodes van snelle groei en ontwikkeling. Nieuw gevormde bedrading heeft een enorme impact op ons vermogen om met de sociale en fysische omgeving om te gaan.

Dr. Galaburda (2001) stelt dat er op twee niveaus in de hersenen problemen kunnen ontstaan: verwerking in hogere en de dieperliggende hersengebieden. Algemeen wordt aangenomen dat de hogere hersengebieden steeds meer controle krijgen over de dieper gelegen hersengebieden. Als echter op de  lagere niveaus bepaalde functies dominant blijven, heeft dit verstrekkende gevolgen voor het functioneren, leervermogen en gedrag van het kind.

Veel Remedial Teaching, gedragstraining, sociaal- emotionele vaardigheidstraining,diverse fysiotherapie- vormen en ook opvoeding, hebben invloed op de hogere hersengebieden. Wil men echter de problemen in de kern aanpakken, dan dienen eerst de dieperliggende hersengebieden getraind te worden. Daarna is het pas echt mogelijk om de verbindingen naar de hogere hersengebieden optimaal te stimuleren en te ontwikkelen.

Bij het leren van nieuwe vaardigheden worden er nieuwe verbindingen gelegd. Hoe meer (zintuigelijke) ervaring we opdoen met de te leren vaardigheden, hoe sterker de verbindingen worden en hoe sneller de prikkels worden overgebracht naar de spieren en lichaamsdelen die de handeling moeten uitvoeren en hoe vlotter de handeling verloopt.

Primaire reflexen; de basis van bewegen

Primaire reflexen zijn bewegingen die vanuit de hersenstam automatisch volgen op een prikkel van buitenaf. Bij een ongeboren kind ontwikkelen zich al vroegin de zwangerschap een aantal primaire reflexen en na de geboorte komen daar onder invloed van de zwaartekracht nog een aantal bij.

Deze primaire reflexen helpen een baby te overleven in de fase dat hij zich nog niet bewust is van zichzelf en zijn omgeving. Bovendien hebben ze een functie in de groei van het zenuwstelsel. Ze geven informatie in de vorm van zintuigelijke prikkeloverdracht via het zenuwstelsel aan de spieren in het lichaam. De spieren zijn dan in staat om lichaamsdelen te laten bewegen. Hoe vaker het kind deze beweging maakt, hoe beteren efficiënter en ook sneller de prikkel wordt  overgebracht. Hierdoor krijgt het kind uiteindelijk steeds meer controle over bewegingen, balanceren, spanning en ontspanning van de spieren/lichaam. Gedurende de eerste 6 tot 12 maanden leert  een baby de primaire reflexen te beheersen en de bewegingen gecontroleerd uit te voeren. De reflexen zijn dus nodig om tot bewegen te komen en raken door oefening geïntegreerd

Niet geïntegreerde Primaire en Posturale Reflexen

Door talloze factoren, bijvoorbeeld: traumatische ervaringen, genetische factoren, stressvolle omstandigheden (bijvoorbeeld bij bevalling of een trauma) of medicatie, kunnen sommige primaire reflexen ongecontroleerd aanwezig blijven. Terwijl de ontwikkeling van het kind doorgaat, zal het lichaam een manier zoeken om dit te compenseren. Vaak zijn de reflexen dus niet meer als zodanig te herkennen. Maar ondertussen verstoren ze het normale functioneren wel degelijk. Een reflex heeft namelijk altijd voorrang, waar je ook mee bezig bent, en slurpt alle energie op. Dit verlaagt de algehele vitaliteit stelselmatig en verstoort de werking van het immuunsysteem. Zowel baby’s, als kinderen, als volwassenen waarbij dit gebeurt, kunnen uitgeput raken en extreme vermoeidheid vertonen. Afhankelijk van overige factoren (binnen of buiten het lichaam) krijgen kinderen dan vroeg of laat, als volwassene, te maken met uiteenlopende problemen, zoals in onderstaand overzicht te lezen valt:

niet geintegreerde reflexen

 

  1. Tonische labyrinth reflex (TLR)
  2. Symmetrische tonische neck reflex (STNR)
  3. Moro reflex
  4. Aarde zuigreflex (AZR)
  5. Palmair Babkin Palmomental) Reflex
  6. Spinal Galant Reflex
  7. Asymmetrische Tonische Neck Reflex (ATNR)
  8. Terugtrek reflex

bron afbeelding; Onbekend (oorspronkelijk Engels)

N.B. Er zijn heel veel meer primaire en posturale reflexen. Slechts een aantal belangrijke reflezen zijn in de afbeelding weergegeven. In de uitleg hieronder zijn meer belangrijke reflexen uitgewerkt !

Terugtrekreflex (TR)

Functie: Deze reflex zorgt ervoor dat je meebeweegt met prikkels en weggaat van contact. In sommige gevallen zorgt het lijf zelf voor het weggaan van contact door flauw te vallen, te hyperventileren, of door absences te hebben. Van buitenaf gezien kan het lijken of hij niet reageert op allerlei prikkels, ook niet op sterke prikkels of aangrijpende gebeurtenissen. Of de persoon heeft het altijd druk druk druk en heeft daardoor (onbewust) een excuus om geen contact te hoeven hebben.

Niet geïntegreerd: Onder invloed van een ongeremde terugtrekreflex kan iemand telkens (op het laatste moment) afzeggen. Ook zal hij het vaak lastig vinden om zich te verdedigen. Deze reflex is soms moeilijk te herkennen omdat het veelal om subtiele gedragskenmerken gaat, maar die heel wat ellende kunnen veroorzaken.

Kenmerken

  • Uit de weg gaan van contact (mensen aanspreken, een drempel over moeten om te telefoneren), het gevoel hebben niet gezien of gehoord te worden.
  • Confrontatie mijdend gedrag
  • Moeite met eigen grenzen aangeven;
  • Moeite met ‘nee’ zeggen, overal ‘ja’ op zeggen.
  • Moeite hebben met innemen van eigen ruimte, letterlijk en figuurlijk. Het gevoel hebben telkens maar genoegen te moeten nemen met de ruimte die een ander hem laat en niet in staat zijn om dat beter in balans te brengen.
  • Zichzelf wegcijferen, voortdurend ‘in dienst te staan van anderen’, maar daar tegelijkertijd erg onder lijden.
  • Het lastig vinden om zijn mening te uiten.
  • Flauwvallen, absences, hyperventilatie, black-outs
  • Drukdrukdruk zijn, (op het laatste moment) afzeggen, eeuwig te laat komen
  • Gevoel van machteloosheid hebben,
  • Gevoel dat een heleboel telkens nèt niet lukt.
  • Wedstrijden, examens en competitieve of prestatiegerichte activiteiten het liefst willen vermijden
  • Veelvuldig dagdromen
  • Het gevoel niet te worden gezien of gehoord

Moro reflex                                                                                                                                     

Functie: De reflex zorgt voor een reactie op zintuigelijke prikkels. Als eerste treedt een soort verstarring op , waarbij de persoon verlamd kan zijn van angst. Vervolgens komt adrenaline vrij waardoor actie mogelijk wordt. Een baby zal zijn spieren in zijn nek, armen en benen aanspannen waardoor zijn ledematen uitslaan en hij zal gaan huilen. De Mororeflex wordt ook wel de vlucht- vechtreflex genoemd. Bij gevaar zal vluchten of vechten de reactie zijn. Dat kan zich ook uiten in huilen of een uitbarsting van woede.

Bij een groter kind of een volwassene is de uiterlijke reactie op zintuigelijke prikkels soms niet zichtbaar, maar van binnen gebeurt van alles. Er komt een stoot van de stresshormonen, adrenaline en cortisol vrij. De bloedvoorziening naar de lange spieren in armen en benen krijgt voorrang, wat ten koste gaat van onder meer de bloedvoorziening voor spijsvertering, het afvoeren van afvalproducten uit spieren en cellen en de cognitieve werking van het brein.
De bijnieren (producenten van adrenaline) raken uitgeput, voedingsstoffen worden niet goed opgenomen, afweerreacties treden op (eczeem, allergieën). Bloedsuikers worden sneller verbrand dan bij anderen, waardoor stemmingswisselingen kunnen ontstaan en de (leer-) prestaties kunnen worden beïnvloed.
Adrenaline en cortisol spelen een belangrijke rol in de afweer tegen allergene stoffen en infecties. Wanneer de productie van deze twee hormonen door de opgewekte mororeflex voortdurend hoog is, kunnen zij hun functie bij de afweer niet goed vervullen. Daardoor hebben kinderen met een ongeremde mororeflex vaak last van keel, neus oor- (KNO-) problemen, allergieën of zij reageren te sterk op bepaalde medicijnen.
Door uitputting van het hele fysieke systeem kunnen van verloop van jaren burn-outklachten ontstaan.

Afvalstoffen in het lichaam die niet goed worden afgevoerd onder invloed van de Mororeflex kunnen tot gevolg hebben dat hoofdpijn ontstaat, maar ook jeuk, lever-, galblaas- en darmproblemen kunnen het gevolg zijn. Wanneer de spijsverteringsorganen de afvalstoffen onvoldoende kunnen afvoeren, helpen de longen mee, maar als ook dat onvoldoende lukt kunnen ook luchtwegproblemen zoals astma of bronchitis ontstaan.

Niet geïntegreerd: Wanneer de Moro reflex ongeremd aanwezig is of onvoldoende ontwikkeld is, zijn een of meerdere zintuigen vaak erg gevoelig, waardoor iemand te sterk op bepaalde prikkels zal reageren. Plotseling geluid, licht, een plotselinge beweging, een verandering van houding, pijn, plotselinge aanraking, geur of bepaalde smaken kunnen de Moro reflex op onverwachte momenten opwekken. Het kind is voortdurend alert en staat voortdurend op ‘scherp’. Hij bevindt zich voortdurend op randje van vluchten of vechten en dat houdt zichzelf in stand: door de reflex wordt de productie van stresshormonen adrenaline en cortisol gestimuleerd, maar door deze hormonen neemt ook de gevoeligheid van de zintuigen toe, waardoor hij extra veel zal waarnemen. Dat leidt voortdurend af, zodat dit deze kinderen en volwassenen moeite hebben met leren, concentreren en een taak afmaken.

Wanneer de zintuigen zo scherp waarnemen zijn twee reactie mogelijk: angst of overactiviteit c.q. agressie. In geval van angst zal hij zich uit situaties ’terugtrekken’, hij kan zich moeilijk aanpassen en kan niet gemakkelijk affectie accepteren of tonen. Bij overactiviteit is het kind vaak agressief of prikkelbaar, hij zal moeite hebben met het lezen van lichaamstaal en wil situaties domineren. Bij beide reacties hoort manipulatief gedrag, omdat deze kinderen grip willen houden op hun emoties.

Kenmerken
1.  Een of meerdere zintuigen die erg gevoelig zijn en zeer goed kunnen waarnemen.
2.  Lichtgevoeligheid (bijv. moeite met het onderscheiden van zwarte letters en tekens op wit papier, snel moe worden onder TL-verlichting
3.  Overgevoeligheid voor geluiden (ook: moeite hebben met zich af te sluiten voor achtergrondgeluiden zoals een tikkende klok, druppelende kraan, brommen van elektrische apparaten)
4.  Zeer goed kunnen ruiken, soms zo goed dat de geur van mensen in de nabijheid al teveel is. De reactie kan zijn dat deze kinderen zich afzonderen van anderen om die geuren te vermijden
5. Gevoelig zijn voor aanraking. Een hekel hebben aan (onverwachte) aanraking
6. Allergieën, auto-immuunziektes (bijv. astma, eczeem, veelvuldige KNO-problemen)
7. Voortdurend afgeleid zijn, slechte concentratie, moeite met afmaken van taken, lees- en leerproblemen door afleiding
8. Burn-outklachten bij volwassenen
9. Schrikachtig zijn, ook: nachtmerries
10. Plotselinge woede uitbarstingen of huilbuien
11.Slecht evenwicht en slechte coördinatie
12. Ogen worden naar de omtrek van een voorwerp getrokken, waardoor het binnenste moeilijker kan worden waargenomen (moeite met waarnemen van letters en woorden op bladzijden bij lezen!)
13. Ongunstige reacties op medicijnen
14. Moeite hebben met verandering of verrassing. Slecht kunnen aanpassen (autisme gerelateerde stoornissen zoals PDD NOS of Asperger)
15. Snel wisselende bloedsuikerspiegel (snelle stemmingswisselingen, slecht concentratievermogen)
16. Angsten die schijnbaar geen verband houden met de werkelijkheid
17. Heftige reacties op prikkels
18. Stemmingswisselingen
19.Gespannen spieren (lichamelijke verharding)
20.Moeite met accepteren van kritiek
21.Afwisselend hyperactief en ernstig vermoeid zijn; uitputting c.q. weinig uithoudingsvermogen hebben (ook: chronische vermoeidheid ME)
22. Moeite met beslissen
23. Lage zelfwaardering (onzekerheid, afhankelijkheid, behoefte om omstandigheden te controleren, manipuleren of beïnvloeden)
24. Hoofdpijn, jeuk, lever-, galblaas-, darmproblemen. Voortdurende brom of piep in het oor hebben.

 

Bonding Reflex

bonding 2

Functie: De Bonding Reflex is een complexe reflex bij mensen die ons in staat stelt om contact te zoeken met onszelf en ons lichaam en te communiceren met onszelf en met anderen. Bonding heeft te maken met binding en hechting te voelen en tot stand te brengen.  De reflex geeft de gelegenheid  om ons lichaam te integreren als geheel.

Deze integratie geeft het gevoel verzorgd en beschermd te worden en vandaar uit is ook te begrijpen dat primaire behoeften als eten, drinken, liefde, warmte, cognitieve uitdaging, en vrijheid, ons  een gevoel van voldoening bezorgen. Verbinding met jezelf, je ouders/verzorgers, familie, mensen in je omgeving en groepen stelt je in staat om je lichaam en zijn bewegingen en je gedachten en emoties te coördineren.

De beste manier om de reflex te integreren is direct na de geboorte en dan op lichamelijk niveau. Activering van de reflex vindt plaats wanneer het kind aangeraakt wordt door de moeder. Deze aanraking is het verbindende element tussen de druk in de warme baarmoeder en nieuwe “koude” luchtdruk. Daarna is de visuele activering van belang: het oogcontact tussen moeder en kind. Deze ervaringen leggen de basis voor het vermogen oogcontact te maken en om te kunnen communiceren.  De reflex is van essentieel belang voor het verkrijgen van zelfvertrouwen en vertrouwen, voor lichamelijke en geestelijke veiligheid en voor het vormen van vertrouwen hebben in de wereld.

Op het gebied van de motorische ontwikkeling beïnvloedt de reflex verschillende typen bewegingen zowel op motorisch, emotioneel als op communicatief vlak. Goede binding met jezelf en je omgeving kan pas goed tot stand komen als je contrôle hebt over je lichaam.

Het lichaamscentrum kan pas de basis vormen van emotionele uiting, als je in staat bent een rechte lichaamshouding vast te houden. Daarnaast helpt een goed ontwikkelde grof- motorische coördinatie je met het aanvaarden van jezelf en anderen.

De Bondingreflex is op fijn motorisch niveau van groot belang voor de communicatie omdat deze reflex noodzakelijk is voor het activeren van onze gehoor en zichtsystemen (perifeer zicht en focus èn de focus voor dichtbij en veraf). Tenslotte is de Bondingreflex belangrijk voor de gecontroleerde en doelgerichte bewegingen van ons hoofd en lichaam; het stelt ons in staat om gevoelsmatig en emotioneel verbinding te leggen en open te staan voor communicatie en aanvaard te worden.

Kenmerken van een niet- geïntegreerde Bonding Reflex:

  • Afhankelijk van anderen in relaties (zowel in kinder- als in de volwasen leeftijd).
  • Eenzaamheid/lijden als men alleen is (zelfs voor korte tijd).
  • Erg verlegen, traag aanpassen in nieuwe situaties, moeite met vreemde (niet bekende) mensen                 –
  • Verlegen in sociale relaties, bang zijn om alleen gelaten te worden/met onbekende mensen in eenruimte te zijn.
  • Emotioneel instabiel, snel huilen.
  • Grillig in gedrag/ afhankelijke gedragingen (op volwassen leeftijd tegenover mensen, dieren, ideeën)
  • Afwijzen van de wereld en/of afwijzen van jezelf (uit zich in agressie, vijandigheid, beledigend gedrag,jezelf en/of anderen niet kunnen vergeven).
  • Afhankelijke stijl van cognitief leren (hierdoor ontwikkelt zich een functioneren op overlevingsniveau).
  • Enorme gevoeligheid voor wat anderen denken en zeggen.
  • Moeite met autoriteit.
  • Zintuigelijke overgevoeligheid (hoogsensitief).
  • Weinig (zelf)vertrouwen, maar ook te snel vertrouwen (afhankelijkopstellen).
  • Terugtrekkend/ isolerend gedrag.
  • Depressie/gedeprimeerdheid
  • Als kind teveel verantwoordelijkheid op je nemen (een bepaalde rol vervullen).

Bovengenoemde kenmerken hebben tot gevolg dat de persoon zijn eigen mogelijkheden tot constructieve communicatie (in ernstige mate) en persoonlijke groei begrenst.

 

Palmaire reflex (Babkin Palmomental)

babkin rflex

Functie: Wanneer de handen licht worden aangeraakt, openen de handen, gaat de mond open en kan gaan ‘zuigen’ en wordt het spijsverteringskanaal in werking gezet. Ook omgekeerd werkt het: wanneer de mond zuigt, sluiten de handen of zij maken een knedende beweging. Bij een ongeremde Palmaire reflex wordt de fijne (hand-)motoriek- en de mondmotoriek (spraak en articulatie) ongunstig beïnvloed. Duim en vingers kunnen moeilijk onafhankelijk van elkaar bewegen.

Niet geïntegreerd: Wanneer de Babkin- reflex ongeremd aanwezig is gebleven is er stress op de mondspieren, kaakspieren, spieren in de keel, het spijsverteringskanaal en de handspieren bij een inspanning. Spreken wordt bemoeilijkt doordat de tong eigenlijk op ‘zuigstand’ in de mond wil zijn. Om die beweging te onderdrukken gaan kinderen soms hard praten, met een geknepen stem, overmatig articuleren of binnensmonds praten. Soms hangt hun mond steeds open of hebben ze moeite met kauwen en slikken. Wanneer een kind met zijn handen bezig is, doet de tong mee: het puntje piept steeds naar buiten of duwt steeds in de wang.

Het werken met de handen is vaak stressvol. Het doseren van kracht in de handen is lastig; vaak wordt teveel kracht gezet. Het kind (maar ook volwassenen) kan proberen het werken met de handen te vermijden, bijvoorbeeld door smoesjes te verzinnen of steeds bij anderen te kijken hoe zij het doen, ten koste van zijn eigen werk..

Doordat de mond zo actief is, wordt het spijsverteringsstelsel aangezet zonder dat er voedsel is. De maag produceert steeds maagzuur, maar reageert niet adequaat wanneer er echt voedsel komt. Voedsel wordt dan niet goed verteerd.De kaken kunnen ook ’s nachts gespannen blijven, wat kan leiden tot tandenknarsen tot het afbreken van tanden aan toe.

Wanneer er door de ongeremde Babkin reflex te veel spanning op de kaken en kaakspieren staat, kunnen de schedelbeenderen en daardoor de ruggengraat en het bekken minder goed bewegen. Scheefstand van het bekken en rugpijnen die daardoor ontstaan, verdwijnen vaak wanneer de reflex onder controle is gebracht: het bekken komt recht te staan en daarmee ook de ruggengraat. Dat kan leiden tot het gevoel van weer gecenterd zijn in jezelf.
Bij sterke emotionele gebeurtenissen of een stoot tegen het hoofd, spannen de kaakspieren zich als een soort verdediging. Samen met de aanwezigheid van een ongeremde Palmreflex* kan dat leiden tot stoornissen in de spijsvertering en in het ontplooien van de persoonlijkheid.

Kenmerken

  • Slechte handvaardigheid en fijne handmotoriek. Kracht in de handen moeilijk kunne doseren.
  • Slechte pincetgreep (witte knokkels bij schrijven, stevig vasthouden van schrijfgerei)
  • Slechte spierbeheersing voor in de mond, daardoor spraakstoornissen, slechte mondmotoriek, slechte articulatie. Te hard praten, overmatig articuleren, open hangende mond, geknepen stem, moeite met slikken en/of kauwen.
  • Gevoelige handpalmen
  • Slechte spijsvertering
  • Scheefstand van het bekken of de rug
  • Gespannen kaken of kaakspieren
  • Bij schrijven of tekenen trekt de mond, piept de tong uit de mondhoek of doet mee in de wang. Ook veelvuldig kwijlen kan duiden op de aanwezigheid van een ongeremde Palmreflex
  • Tandenknarsen

*) Scheefstanden van bekken of rug kunnen ook door andere reflexen, w.o. de ruggengraat bekken reflex) veroorzaakt worden.

Asymmetrische Tonische Nekreflex (ATNR)                                                                            

Functie: Bij deze reflex worden de arm, de hand en het been gestrekt aan de kan waar het hoofd naartoe wordt gedraaid. De arm en het been aan de kant van het achterhoofd ontspannen tot in (lichte) buigstand. Wanneer deze reflex ongeremd aanwezig blijft, dan zal het kind in veel van zijn bewegingen gestoord worden doordat zijn evenwicht en zijn links-rechtscoördinatie verstoord zijn. Kruipen is lastig, bij lopen zal het zijn evenwicht gemakkelijk verliezen en ook schrijven, lezen en spellen is moeilijk. De kant waar het hoofd naartoe draait, of zelfs de richting waar de ogen naar kijken!, wil zich immers strekken en de andere kant wil ontspannen. Deze kinderen hebben moeite met het passeren van de middellijn, zowel fysiek als bij de verwerking van informatie via hun ogen:

Niet geintegreerd: Lopen, gooien, vangen, sporten, het ziet er vaak wat houterig en onevenwichtig uit. Tijdens het lopen willen de arm en het been aan dezelfde kant naar voren bewegen, dus rechterarm en rechterbeen, in plaats van kruislings rechterarm en linkerbeen. Jonge kinderen kunnen moeite hebben met het overpakken van een voorwerp van hun ene naar hun andere hand, of iets met beide handen tegelijk doen of pakken. Zijn lijf wil eigenlijk maar met één kant tegelijk iets doen. Bij vangen of schoppen van een bal, vooral als die schuin van voren komt, ziet het kind het vertraagd en zal hij net te laat zijn of missen.

Soms ontwikkelen deze kinderen geen voorkeursarm of been (rechts- of linkshandig zijn). Dat is lastig, want dan moet hij bij elke beweging bewust nadenken over welke kant hij gebruiken zal. Wat ten koste gaat van snelheid en vloeiend zijn van die beweging. Ook deze reflex levert een kind veel stress op en het onderdrukken van de reflex om ‘normaal’ te kunnen functioneren, kost hem onnodig veel inspanning en energie.

Minder zichtbaar maar met soms flinke gevolgen, geldt de verstoorde links-rechtscoördinatie ook voor de oogbewegingen van het kind: het passeren van de middellijn is vertraagd en moeilijk. Informatie via de ogen komt een fractie van een seconde na elkaar binnen of wordt ongelijkmatig verwerkt. Dat is vervelend als je een bal moet vangen, maar belemmert ook het schrijven, spellen en lezen. Dan moeten zijn ogen immers over de middellijn van de bladzijden en hij zal zijn hoofd moeten draaien van het schoolbord, naar zijn schrift en/of naar zijn boek. Kinderen met dyslexie of dyscalculie hebben vaak een ongeremde ATNR.

Het handschrift van mensen met een ongeremde ATNR is vaak slordig, hoekig of houterig. Ook dat wordt veroorzaakt doordat de arm en de hand (en het been) willen strekken aan de kant waar het hoofd naartoe is gedraaid. Het kost zo’n kind bovenmatig veel inspanning om toch zijn pen te blijven vasthouden en zijn arm te buigen om te kunnen schrijven of om de bladzijden van zijn boek om te slaan. Die inspanning is zo groot dat hij daar al zijn aandacht voor nodig heeft, wat weer ten koste gaat van het opnemen van de inhoudelijke informatie en de lesstof die hem worden aangeboden. Omgekeerd wordt hij door diezelfde benodigde fysieke inspanning afgeleid bij het op papier krijgen van zijn ideeën. Dat zal niet zelden leiden tot grote frustratie omdat hij het immers wel weet en het heel goed kan vertellen, maar het niet schriftelijk verwoord krijgt. Bij schrijven is het been aan de kant waarmee geschreven wordt vaak gestrekt, om een stoelpoot geslagen of het kind zit erop.

Het niet goed samenwerken van linker en rechterdeel van het brein kan ook leiden tot zwart-wit denken, waarnemen of voelen. Soms kan iemand alleen maar rationeel denken, anderen kunnen alleen vanuit emotie redeneren.

Kenmerken

  • Moeite met lezen, schrijven, spellen of rekenen
  • Uit evenwicht raken of duizelig worden bij het draaien van het hoofd (bijv. houterig, onevenwichtig lopen, moeite met (bal-)sporten, veelvuldig stoten of vallen, erg vermoeid raken tijdens autorijden)
  • Oogproblemen zoals uitdroging, veroudering of vitaminetekorten
  • Arm en been aan één zijde gelijktijdig willen bewegen (bijv. moeilijk kunnen huppelen, been om stoelpoot geslagen bij schrijven, moeite met zwemmen, als baby niet hebben gekropen)
  • Verkrampte spieren en/of pijn in nek, rug, armen en benen
  • Geen voorkeurszijde hebben (bijv. schrijft links, maar voetbalt rechts, of wisselt telkens)
  • Slordig, hoekig handschrift (ook: potloodpunten breken steeds af, pen te hard op papier, witte knokkels door te strak vasthouden van pen)
  • Moeite met op papier zetten van ideeën
  • Weinig ruimtelijk inzicht hebben
  • Zwart-wit denken; sterk vanuit ratio of vanuit emotie of snelle wisseling daartussen

Ruggengraat Bekkenreflex (RBR)

Functie: De ruggengraat bekkenreflex zorgt ervoor dat de heup omhoog gaat aan de kant waar de lage rug of de heupen worden aangeraakt.

Elastiek van ondergoed, een riem, een te strakke boord van een broek, de lakens in bed of de rugleuning van een stoel zijn voldoende om de reflex op te wekken. Veel van deze kinderen hebben een hekel aan strakke kleren, kleren moeten los zitten, vooral rondom hun heupen, een riem dragen is niet fijn. Omdat er vrijwel altijd wel iets aan hun rug en heupen zit, zullen deze kinderen onder invloed van de ongeremde RBR bewegen. Zij kunnen moeilijk stilzitten. Ze zijn voortdurend in de weer, schuiven continu op hun stoel heen en weer of staan telkens op van tafel. Dat gebeurt ook op school, wat ten koste gaat van hun concentratie en aandacht bij de lesstof. Wanneer de RBR wordt opgewekt, wil de blaas ontspannen. Dat kan ertoe leiden dat zindelijk worden moeizaam gaat of dat kinderen blijven bedplassen, soms tot eind lagere school.

Niet geïntergreerd: Een ongeremde Ruggengraat Bekkenreflex aan één kant van het lichaam kan zorgen voor scheefstanden en scheefgroei (bijv. Ziekte van Bechterew, scoliose) van de ruggengraat en het bekken en kan als gevolg daarvan (lage) rug-, nek- en hoofdpijnklachten veroorzaken. Soms lopen kinderen (en volwassenen) met één heup wat gedraaid, wanneer er een eenzijdig ongeremde RBR aanwezig is. Door de scheefstand van de rug kunnen afvalstoffen in de rug moeilijker worden afgevoerd, waardoor verhardingen of ‘slijtage’ in het bindweefsel of kraakbeen kunnen ontstaan. Ook beknelde zenuwen kunnen het gevolg zijn van scheefstanden in de rug. Bovendien kunnen organen in de knel komen te zitten door de scheefstand van de rug, waardoor zij in hun functie beperkt worden. Hetzelfde geldt voor de balans in de hormoonhuishouding, waardoor allerlei psychische klachten kunnen ontstaan.

Bekkeninstabiliteit heeft vaak te maken met een ongeremde RBR. Overgevoelig darmsyndroom of verzakking van de baarmoeder kunnen te maken hebben met deze reflex.

Uit onderzoeken lijkt er een verband te zijn met de overdracht van geluid. Luister- en taalproblemen lijken te maken kunnen hebben met deze reflex. In de hersenen worden geluid, spiertonus en evenwicht aan elkaar gekoppeld. Geluidtrilling in het binnenoor verspreidt zich waarschijnlijk door de ruggengraat en laat daar bepaalde programmeringen meetrillen. De chemie van het bloed en spierspanning van de rug worden daardoor beïnvloed.

Niet geïntegreerd: Bij een ongeremde RBR in combinatie met een ongeremde Mororeflex zal een kind veel moeite hebben met zijn concentratie, hij kan moeilijk stilzitten en snel afgeleid zijn. Ook zijn gedachten springen vaak van hot naar her, wat leidt tot gebrek aan overzicht of het gevoel non stop te veel aan zijn hoofd te hebben. Dat kan zo heftig zijn dat hij niet meer weet waar te beginnen en nauwelijks nog tot actie komt of ontwijkgedrag vertoont voor bijvoorbeeld huiswerk of andere opgaven.

Kenmerken RBR: 

  • Scheefgroei/scheefstand van de ruggengraat, Scheef lopen of lopen met één heup wat gedraaid.
  • Moeite met het vinden van het zwaartepunt in het bekken, doordat het bekken telkens beweegt onder invloed van de RBR en/of trilling in de ruggengraat door bepaalde geluiden.
  • Een hekel hebben aan strakke kleding, vooral bij de heupen en de lage rug
  • Moeilijk kunnen stilzitten; voortdurend moeten opstaan, wiebelen, draaien op de stoel, of steeds een arm, hand, been of voet moeten bewegen.
  •  ’Tics’
  • Problemen met luisteren en taal
  • ‘Versleten’ rug en/of beknelde zenuwen in de rug
  • Verkramping (of juist spierzwakte) van de onderrug, door het vast willen zetten van de voortdurende impuls tot beweging. De andere rug- , nek- en schouderspieren worden daardoor ook in hun beweging gestoord, waardoor allerlei rug – en nekklachten kunnen ontstaan.
  • Bekkeninstabiliteit
  • Concentratieproblemen, gebrek aan overzicht, gedachten die van hot naar her springen, vertonen van ontwijkgedrag of maar niet tot actie kunnen komen

Aarde Zuigreflex (AZR)

Functie: Wanneer de wang of de kaak licht wordt aangeraakt, draait het hoofd die kant op. De mond gaat iets open, de tong schuift naar voren, het kind wil zuigen en slikken en de ogen willen dicht. Deze reflex heeft o.a. te maken met spraak, taal, eten, seksualiteit en het gevoel van veiligheid.

Niet geïntegreerd: Wanneer de AZR ongeremd aanwezig blijft het kind vaak gevoelig rondom zijn mond en lippen. Als hij vast voedsel krijgt, dan wil zijn mond nog steeds zuigen en gaat de tong naar voren in zijn mond. Dat is lastig als je moet kauwen en slikken, waardoor deze kinderen vaak nog lang een hekel hebben aan vast voedsel. Bovenmatig kwijlen, soms wel tot vier-vijf jaar, kan wijzen op een ongeremde AZR doordat zijn voorste mondspieren nog niet goed onder controle zijn. De vorming van het (harde) verhemelte kan worden beïnvloed door de beperkte tongbeweging. Daardoor blijft het verhemelte te spits en ontstaat er te weinig ruimte in de kaak, zodat later een beugel nodig kan zijn.

De bemoeilijkte (voorste) mondmotoriek kan de spraak en articulatie beïnvloeden. Bovendien willen de ogen sluiten bij het spreken. Voor deze kinderen is het vaak te moeilijk om mensen aan te kijken als ze praten. Ze kunnen niet anders dan wegkijken, wat vaak wordt uitgelegd als onbeleefd. Andersom kan ook, dan blijven zij iemand aankijken zonder iets te (kunnen) zeggen.

De AZR, al dan niet in combinatie met de ongeremde Palmreflex, zorgt ervoor dat de handmotoriek en mondbewegingen gekoppeld zijn. Het kind heeft er vaak een hekel aan om met zijn handen te werken.

Een ongeremde AZR kan tornen aan het basisgevoel van veiligheid, wat een van de meest basale voorwaarden is op de weg naar zelfontwikkeling en zelfontplooiing. Ook kan deze reflex het gevoel van geborgenheid of binding negatief beïnvloeden.

Bij moeilijk zwanger kunnen worden, ingewikkelde zwangerschappen, een baby die niet juist ligt, mislukte borstvoeding door tepelkloven/ -pijn of melkproductie die niet op gang komt, kan sprake zijn van een ongeremde AZR. Bij zware bevallingen of borstvoeding die niet wil lukken, kan sprake zijn van een ongeremde AZR bij de moeder, maar kan evengoed het gevolg zijn van ongeremde primaire reflexen bij het kind.

Bij moeder die tijdens haar leven allerlei manieren heeft gevonden om haar ongeremde AZR te beheersen, kan een bevalling zorgen voor het doorbreken van die moeizaam gevonden balans. Ze kan dan te maken krijgen met een postnatale depressie of bekkeninstabiliteit (helemaal als ze ook een ongeremde ruggengraat bekkenreflex heeft).

Onder invloed van een ongeremde AZR kunnen vrouwen last krijgen van problemen met hun menstruatiecyclus of van baarmoederproblemen. Mannen kunnen impotentieklachten hebben.

Een ongeremde AZR kan zorgen voor moeizame relaties doordat hij of zij zichzelf niet durft te geven. Mensen met een ongeremde AZR voelen zich vaak onveilig en daardoor eenzaam, buitengesloten of afgewezen, hebben weerstand tegen verandering, voelen weerstand bij onbekende dingen, ervaren voortdurend een onbestemd angstig gevoel, of voelen zich vaak schuldig. Ook kunnen zij zich sterk concentreren op één ding tegelijk of blijven dwangmatig wakker. Hun angst- of onveiligheidsgevoel eten ze soms weg: vraatzucht ontstaat.

Kenmerken AZR:

  • Gevoelige lippen en mond.
  • Te weinig zuigkracht bij een baby
  • Problemen met de voorste mondspieren. Mondmotoriek, spraak en articulatie gaan moeizaam (bijv. moeite met slikken, veel kwijlen, hard praten, geknepen stem, onduidelijk praten)
  • Moeite met gelijktijdig praten en (aan-)kijken. Bij praten willen de ogen sluiten. Hardop voorlezen is dus vrijwel onmogelijk. Iemand aankijken terwijl je praat is ook te lastig.
  • Niet graag met de handen werken
  • Vruchtbaarheidproblemen, moeilijke zwangerschappen, mislukte borstvoeding, moeilijke bevallingen
  • Baarmoederproblemen, problemen met de menstruatiecyclus, impotentieklachten
  • Ontbreken van het basisgevoel van veiligheid. Bij kinderen kan dat leiden tot angst in het donker, dwangmatig wakker blijven, maar één ding tegelijk kunnen doen, angstig zijn als ze alleen zijn.
  • Postnatale depressie
  • Hartritmestoornissen, zweetaanvallen, benauwdheid
  • Zichzelf niet durven te geven in relaties
  • Weerstand tegen verandering of tegen onbekende dingen, zich eenzaam, buitengesloten of afgewezen voelen, zich vaak schuldig voelen.
  • Vraatzucht

 

Tonische Labyrint reflex (TLR)

Functie: Bij deze reflex wil het lichaam naar voren ineen zakken wanneer het hoofd naar voren wordt gebogen. De armen, benen en rug willen strekken wanneer het hoofd naar achteren buigt. Een kind met een ongeremde TLR zal niet goed kunnen kruipen.

Niet geïntegreerd: Een ongeremde TLR veroorzaakt problemen met de balans en verdeling van spiertonus door het hele lichaam. Bewegingen van het hoofd beïnvloeden de spiertonus, hij kan moeilijk zijn spiertonus direct aanpassen aan zijn beweging, waardoor het evenwichtscentrum in de war raakt. Daardoor kan hij zich moeilijk focussen met zijn ogen. Zijn ruimtelijke en richtingsgevoel worden bemoeilijkt en hij kan moeilijk diepte, snelheid en afstand goed inschatten. Hij kan de zwaartekracht slecht voelen. Een kind met een ongeremde TLR kan zich moeilijk oriënteren omdat een vast punt in de ruimte ontbreekt. Hij weet niet goed waar hij in de ruimte is. Informatie via zijn ogen over waar hij in de ruimte is, is onbetrouwbaar. Hij vindt het moeilijk om boven, onder, links, rechts, voor en achter te onderscheiden. Soms uit zich dat ook op school en zal hij bijvoorbeeld vaak in spiegelbeeld schrijven. Het gebrek aan oriëntatievermogen en het ontbreken van een referentiepunt geldt ook voor tijd. Tijd wordt een loos begrip. Dit kind zal veel moeite hebben om binnen de tijd iets af te hebben, of om op tijd te komen. Een lichaam met een ongeremde TLR wiebelt van voor naar achter onder invloed van de hoofdbewegingen. Om dat tegen te gaan compenseert het lichaam door verstarring: voorovergebogen, of juist achterover (te veel) gestrekt. En dat geeft rugklachten, spierkramp en afvalstoffen die moeilijk afgevoerd kunnen worden. Bovendien kost die houding en het compenseren veel inspanning, wat leidt tot vermoeidheid.

Een ongeremde TLR en daardoor de gebrekkige beheersing van de nekspieren, kan onbewust het gevoel geven dat het hoofd ‘los’ aan de romp zit. En dat kan met (doods-)angst gepaard gaan, want zonder hoofd kun je niet leven. Kinderen met een ongeremde TLR kunnen dan ook erg angstig zijn, schijnbaar zonder reden. Ook deze reflex kan aan één kant sterker ongeremd zijn dan aan de andere kant.

Kenmerken TLR:

  • Slecht kunnen focussen met de ogen. Problemen met zicht. Problemen met overschrijven van informatie van het schoolbord naar schrift. Soms wordt (onnodig) een bril voorgeschreven, of wordt het kind dichter bij het schoolbord gezet.
  • Hoogtevrees, een hekel hebben aan open bruggen en open trappen, juist ook bij het naar boven gaan.
  • Wagenziekte
  • Moeite met zwemmen
  • Een hekel hebben of moeite met sporten in z’n algemeenheid
  • Angsten, ook doodsangst
  • Slechte (gebogen) houding. Schouders buigen steeds meer naar voren bij langer staan (bij een sterke ongeremde TLR naar de buikzijde). Verkramping of verstarring in een naar voren gebogen houding.
  • Slechte houding, stramme rug en nek, houterige gang (bij een sterke ongeremde TLR naar de rugzijde)
  • Rugklachten door verkramping of verstarring
  • Veelvuldig op de tenen of de voorvoet lopen en staan
  • Niet kunnen kruipen, wel tijgeren
  • Problemen met balans en verdeling van spiertonus door het hele lichaam. Slecht evenwicht.
  • Gebrek aan richtingsgevoel en moeite met inschatten van afstand, diepte en snelheid
  • Slecht tijdbesef, veelvuldig te laat komen, moeite met nakomen van tijdafspraken

Symmetrische tonische nekreflex (STNR)

Functie: De STNR is nog niet bij de geboorte aanwezig. Deze reflex hoort formeel gezien niet tot de primaire reflexen. De STNR zorgt ervoor dat de armen buigen en de benen strekken bij buiging van het hoofd naar voren. Bij buiging van het hoofd naar achteren willen de armen strekken en de benen buigen.
Kinderen met een ongeremde STNR zullen nauwelijks kruipen op handen en knieën. Billenschuiven, overslaan van de kruipfase of een berengang (met rechte armen en benen) is hoe zij zich vaak voortbewegen.

Deze reflex speelt mee bij het vermogen om met de ogen scherp te kunnen blijven zien wanneer hij afwisselend van ver weg naar dichtbij en vice versa kijkt. Een ongeremde STNR bemoeilijkt het zicht in het vlak boven-onder, zoals de ATNR dat doet met links-rechts. Ook door een ongeremde STNR is de oog-handcoördinatie bemoeilijkt.

Een kind met een ongeremde STNR zal vaak een voorovergebogen houding hebben en er wat sloom uit zien als hij loopt. Als hij schrijft of leest aan tafel (hoofd naar voren), dan zal hij steeds dieper buigen tot hij bijna met zijn neus op zijn tafel ligt. Zijn benen zullen dan vaak gestrekt zijn. Tijdens de les, bij het omhoog op het schoolbord kijken en omlaag naar zijn boek of schrift lijkt het of hij voortdurend meer onderuit zakt en van zijn stoel afschuift. Door het onderdrukken van deze reflex wordt de aandacht van de lesstof afgeleid en zal dit kind geregeld met aandachts- en concentratieproblemen te maken hebben.

Haren kammen, netjes en met mes en vork eten, sporten en netjes schrijven zullen bij een kind met een ongeremde STNR niet snel favoriet zijn.Er zijn studies die er op lijken te wijzen dat een ongeremde STNR een rol speelt bij veel kinderen met ADHD en ADD.

Kenmerken

  • Niet kruipen, vaak wel kruipen overslaan en gelijk staan. Of deze kinderen lopen in berengang op handen en voeten, of schuiven op hun billen.
  • Aan tafel of in de klas voorover zakken
  • Slome manier van lopen
  • Slordig eten, slordig schrijven
  • Onhandig zijn, een hekel hebben aan sport
  • Niet scherp kunnen zien bij snel afwisselend kijken naar schoolbord en boek op tafel
  • Moeite met zwemmen
  • Schuift van zijn stoel af bij werk waarbij afwisselend omhoog en omlaag moet worden gekeken.

Landaureflex

Functie: De Landaureflex is nog niet bij de geboorte aanwezig. Deze reflex hoort formeel gezien niet tot de primaire reflexen. Bij deze reflex wordt het lichaam van een baby gestrekt wanneer hij bij zijn buik horizontaal wordt vastgehouden. Deze reflex zorgt voor coördinatie in de spiertonus tussen de voor- en achterkant van het lichaam, en dan met name de spieren van het bovenlijf.

Bij een ongeremde Landaureflex kan er ernstige verstoring zijn van de spiertonus in het bovenlijf. Wanneer bepaalde rugspieren nauwelijks meedoen, moeten andere spieren worden aangezet ter compensatie. Dat kan leiden tot problemen met coördinatie en evenwicht, maar ook tot problemen met het ervaren van tijd en ruimte. Soms zijn er ademhalingsproblemen en/of is de CO2-huishouding in het lichaam verstoord.