Automatisch blauw

Wetenschappelijk onderzoek heeft  bevestigd dat mensen een voorkeur voor visueel leren (beelddenken) of woorddenken kunnen hebben.

onderzoekJaap Murre

Aan de Universiteit van Amsterdam heeft hoogleraar Theoretische Neuropsychologie Jaap Murre, in 2010 werd het wetenschappelijk onderzoek naar het verbale en visuele leersysteem bij mensen afgerond. Dit gebeurde in samenwerking met de Vrije Universiteit Amsterdam en Duke University.                  Aan het onderzoek “Rise and decline of Verbal and Visuo-spatial Memory” hebben 28.000 mensen in de leeftijd van 11 tot 80 jaar deelgenomen.

Uit dit wetenschappelijk onderzoek blijkt duidelijk dat het geheugen van mensen vanaf het vierde levensjaar voorkeur krijgt voor òf het verbale leersysteem (Verbal Memory) of het visuele leersysteem (Visuospatial Memory).

Uit het onderzoek blijkt dat één van beide systemen dominant is zowel in het korte als in het lange termijngeheugen. Verder is uit onderzoek gebleken dat deze voorkeur voor meer dan 40% erfelijk bepaald wordt.

Maria J. Krabbe

Logopediste Maria J. Krabbe, kwam eind jaren twintig in contact met een intelligente jongen die met grote taalproblemen kampte op het Lyceum. Zij kwam erachter dat hij informatie op een andere manier verwerkte en opsloeg. Maria Krabbe noemde dit fenomeen beelddenken, wat zij tegenover het begripsdenken (denken in taal/woorden) zette. De onderzoeken die daarop volgden werden als artikelen tussen 1931 en 1951 gepubliceerd. Uiteindelijk leidde dit tot haar boek “Beelddenken en Woordblindheid”, Al haar inzichten hebben aan het begin van de jaren ’50 geleid tot het oprichten van het “Instituut voor het beelddenken”in Den Haag.

Andere Visuele leerstijl- onderzoekers:

Dr.Gerard van der Leeuw, (eerste naoorlogse) Minister van Onderwijs, theoloog en hoogleraar geschiedenis van godsdiensten. Heeft in zijn boek (eerste “De Primitieve Mensch en de religie”), de begrippen “beelddenken” en “begripsdenken” beschreven.

Joy Paul Gilford, psycholoog (Universiteit van Zuid- Californië). Maakte een model van het menselijk intellect en onderscheidde daarin convergerend denken (richt zich op één juiste oplossing voor een probleem door logica, oftewel de woorddenkers) en divergerend denken (richt zich op gebruikmaking van creatieve oplossingen, vrije denkpatronen en het daardoor komen tot meerdere oplossingen, die allemaal geschikt zijn om toe te passen).

Dr. Nel Ojemann, psychologe en pedagoge aan de RUG. Gebruikte het wereldspel om het “anders zijn” van kinderen te signaleren en helder te maken, problemen voor te zijn en handvatten te bieden voor het maken van handelingsplannen. Richtte in 1985 de Maria Krabbe Stichting op.

Roger W. Sperry, psychobioloog (California Institute of Technology) en collega Michael Gazzaniga ontdekten dat de linker en rechterhersenhelft van de mens informatie op een andere manier verwerken.

Prof. P. Span, bespreekt in een uitgave van “Leerstijlen” (1977) hoe een mens informatie opneemt, verwerkt en toepast. Hij maakt daarbij onderscheid in personen die dat in verbale categorieën verwerkt en personen die informatie het liefste in beelden verwerkt. Prof. Span geeft in zijn onderzoek aan dat personen die informatie sterk auditief opnemen en verwerken, binnen ons talige onderwijssysteem in het voordeel zijn ten opzichte van een visueel lerend persoon. De leerstijlentheorie van Howard Gardner sluit hier op aan.

Linda Kreger Silverman, psychologe en Directeur van het “Institute for the study of Advanced Development” en het “Gifted Develoment Center” in Denver. In haar boek ” Upsite – Down Brilliance:  the Visual Spatial Learner” uit 2002, beschrijft zij de talenten van de visueel-ruimtelijke leerlingen. Ze maakt daarbij gebruik van de nieuwste ontwikkelingen op gebied van hersenonderzoek naar de verschillende functies van de hersenhelften. Ze ontdekte dat kinderen met een bijzonder hoog IQ, maar ook kinderen met een bijzonder laag IQ, het beter deden bij visueel-ruimtelijke taken. Het grote verschil was dan echter wel dat hoogintelligente kinderen ook de auditief volgtijdelijke taken goed maakten en de kinderen met een laag IQ daar zwak op scoorden. Zij stelde verder dat visueel ruimtelijk lerende kinderen een voorkeur hebben voor het denken in beelden en niet in woorden. De hersenen van deze kinderen zijn anders georganiseerd; zij leren vanuit het geheel naar de delen, leren niet door herhalen en stampen maar op basis van visualiseren.

Jan Kaldeway, pedagoog en docent onderzoeksvaardigheden aan Academie Educatie van de CHE. Hij werkte ook als docent aan Universiteit Utrecht in begeleiden van studenten met leerproblemen. Hij deed onderzoek naar de relatie denkstijlen –  vakgebieden en stelde vast dat mits de begrippen beelddenken en begripsdenken  zorgvuldig gebruikt worden, wel degelijk bruikbaar zijn. Hij ontwikkelde een model waarin een nauwkeurige analyse is gemaakt van de interactie tussen denkstijlen van verschillende leerlingen en de leerinhouden en werkvormen.

Peter Hagevoort, hoogleraar neuropsychologie aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en directeur aan de F.C. Donders Centre for Cognitive Neuro- imaging te Nijmegen. Hij stelt dat de hersenen beschikken over gescheiden functionerende verwerkingscircuits; voor analyseren van de structuur of woordvolgorde bij het maken van zinnen. Daarnaast voor de betekenis van gesproken taal. Het verschil tussen deze systemen bestaat ook op neurofysiologisch neveau. De hersenen zetten compenserende strategieën in om grammaticale onjuistheden in taaluitingen toch juist te interpreteren.  Als bij bepaalde personen het ene systeem minder goed functioneert, verwerken ze taal uitsluitend via het andere systeem.

Jelle Jolles, hoogleraar Hersenen, Gedrag en Educatie (VU Amsterdam). Schreef daarnaast het boek “Ellis en het verbreinen”. Jolles geeft in meerdere inteviews duidelijk aan dat kinderen niet volgens een vaste methode of manier van lesgeven leren, omdat het brein voorkeursstrategieën heeft. Hij maakt onderscheid tussen talige, motorische en visueel ingestelde kinderen. Daar waar een kind met een talige strategie niet goed uit de voeten kan, kan het zijn dat het kind met een visuele strategie op een veel eenvoudigere manier de kennis en ervaring kan verwerven. Ook stelt hij dat de strategie per periode kan wisselen; een kind kan wel een voorkeursstrategie hebben maar dat betekent niet dat het een andere strategie niet kan leren. De voorkeur gaat uit naar het op een zo vroeg mogelijk tijdstip actief gebruiken en stimuleren van meerdere hersengebieden. Hoe vroeger de neurale netwerken geactiveerd worden, hoe minder tijd er later nodig is om de hersengebieden te laten samenwerken. Jolles stelt dat het voor het onderwijs de moeite loont om meerdere strategieën aan te bieden en er veel winst geboekt kan worden met mentaliseren en visualiseren van lesstof.

 

 

 

Bron: boek “Beelddenken, visueel leren en werken” van Marion van de Coolwijk